Politics

Hoe de bewoners van een Maastrichtse krottenwijk plaats moesten maken voor trendy winkels

Eerst woonden er de bemiddelden, toen de allerarmsten, en daarna was het buurtje weer voor de welgestelden. Alsof het was voorbestemd voor het proces van gentrificatie, met als tijdelijke onderbreking het sociale verval van ruim een eeuw. De geschiedenis strooit met patronen en begint daar soms al vroeg mee. In elk geval gebeurde dat in het Maastrichtse Stokstraatkwartier, het tegenwoordig toeristische yuppen- en winkelwijkje rond het Lieve Vrouwenplein, dat in de stad heel lang vermaard was om zijn onbezonnen armoede.

Voormalig bewoner Jo Voorts leerde er als zesjarige zijn eerste woordjes terwijl hij de tekst op het bordje ‘onbewoonbaar verklaarde woning’ probeerde te lezen, en journalist Frank Bokern die er het boek Crapuul, oftewel uitschot, over schreef hoorde van zijn moeder dat hij er niet mocht komen. Hij is er nu, als schrijver, toch naartoe gegaan, door een tocht in de archieven en een rondgang langs de laatste ex-bewoners te maken. En heeft bloot gelegd waar de stedelijke gezeten elite altijd van wegkeek. Want, dat moet maar meteen gezegd, dit boek gaat evenzeer over bestuurlijke onwil en onvermogen als over het door die elite gefaciliteerd menselijk drama op de vierkante meter. Het geeft betrokken geschiedschrijving van de betere soort, het laat de feiten spreken.

En die zijn niet mis te verstaan. De verkrotting begon nadat de gegoede stand na de Belgische opstand (1830) wegtrok en de patriciërswoningen ten prooi vielen aan huisjesmelkers. Het proletariaat dat door de vroege industrialisatie van de stad (met de hardvochtige ondernemer Regout, van het aardewerk) snel groeide en behoeftig was aan onderdak werd hun prooi. In alle rafelranden van de stad en ook in de tien smalle straatjes van het Stokstraatkwartier. Mensen woonden er bovenop elkaar in tochtige en vochtige kamerwoningen (167 panden herbergen rond 1900 zo’n 1600 bewoners). Ze leefden op straat, spoelden in de buurtkroegjes hun verdriet weg, maakten het ene moment lawaai en ruzie en vielen het andere moment onder accordeonmuziek in elkaars armen – wat de buurt haar onbeschaafde reputatie opleverde.

Maar de ellende moet er velen malen groter zijn geweest dan het nevenproduct van de armoede, de gezelligheid van mensen die het nou eenmaal met elkaar moeten rooien. De kindersterfte was er groot, de cholera-epidemieën hielden er nog meer huis dan in de rest van de stad, en men moest er leven met de dag, want niemand had vast werk.

Incidenteel werd er alarm geslagen. In een rapport uit 1853 wordt er gesproken van ‘holen der menschen’ van ‘de min gegoeden stand’. Een aantal priesters slaat op de trom, zoals de sociale priester Henri Poels, die het heeft over ‘de lijkjes van kindertjes die in de krotten van Maastricht gestorven zijn’ en al eerder heeft de socialist Willem Vliegen de ellende gehekeld.

Maar het haalt allemaal niets uit, totdat in de jaren zeventig de bewoners plaats moeten maken voor trendy shopgelegenheden en naar zogeheten woonscholen worden gestuurd die elders zijn opgeheven, maar in het bevoogdende Maastricht nog nieuw leven worden ingeblazen. Het stadsbestuur had al vlak na de oorlog besloten dat afbreken de beste sociale oplossing was voor de buurt in ontbinding – een oplossing die 75 jaar later nog altijd bestaat en die nu ‘Sociale Vernieuwing’ heet.

In een boek dat veel meer is dan de geschiedenis van een toevallig buurtje, maar dat ook het verhaal vertelt van een door een kerk, kapitaal en politieke elite gegijzelde stad, komt de lezer verontrustend veel bekends tegen. Bewoners worden er in rapporten als handelingsonbekwaam – en zelfs als ‘debiel’ of ‘imbeciel’ beschreven; ze worden ambtelijk gedefinieerd als onbetrouwbaar vanwege hun komaf, en er bestaat bijna institutionele doofheid voor klachten bij de verantwoordelijken.

Soms lijkt het of de geschiedenis zich daadwerkelijk herhaalt.


Lees ook: Hoe de gewone Maastrichtenaren werden verdreven uit de Stokstraat

Source link

Leave a Reply

Your email address will not be published.