Politics

‘In het genderdebat lijkt alleen het zelfgevoel nog te tellen’

Ooit een Vollmann of een Vollweib gezien, behalve in de spiegel? Een man of vrouw die vollédig, in elke vezel en haarvat, ‘m’ of’ v’ is? Met alle fysieke, psychologische en sociale kenmerken die bij een van die etiketten zouden horen?

Natuurlijk is niemand zo, zegt hoogleraar genderstudies Geertje Mak in haar werkkamer in Amsterdam. Geen mens past naadloos in die twee culturele kleedhokjes. Voor Mak, die historisch onderzoek doet naar sekse (geslacht) en gender (sociaal-culturele en psychische mannelijkheid en vrouwelijkheid), roept dat meteen de vraag op of het wel zinvol is om er dan maar extra hokjes bij te verzinnen, die weer nieuwe tegenstellingen creëren. Zoals ‘non-binair’, dat kan suggereren dat niet-non-binaire anderen kennelijk wel Vollmänner of Vollweiber zijn.

Mak promoveerde op onderzoek naar ‘grenzen van sekse in de negentiende eeuw’ (Mannelijke vrouwen, 1997). De Duitse termen ontleent ze aan de arts Magnus Hirschfeld (1868-1935), een pionier van de seksuologie en vroege voorvechter van lhbti-rechten. Tussen de twee ‘volle’ uitersten – die ook volgens hem fictief waren – zag Hirschfeld een grote variatie aan ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ kenmerken. Hij legde ze vast in duizelingwekkende schema’s van ‘eigenschapsgroepen’ A, B, C en D. De karakteristieken ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ bleven binair – met vragen als: loopt iemand ‘trippelend’ of ‘met stevige stappen’? – maar Hirschfeld had in zijn combinaties een open oog voor allerlei ‘tussenvormen’. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Zijn Berlijnse Institut für Sexualwissenschaft werd in 1933 door de nazi’s gesloten, zijn archief verwoest.

Hirschfeld is een van de kleurrijke hoofdpersonen in het artikel dat Mak schreef voor het nieuwe Handbook of the History of Human Sciences (2021).

In die bijdrage, ‘The Sex of the Self and its Ambiguities’, gaat Mak na hoe in de geneeskunde, psychologie en seksuologie een concept tot stand kwam dat psychologische sekse moest aanduiden: genderidentiteit. Het was de Amerikaanse psychiater Robert Stoller die in 1964 het begrip core gender identity ijkte. Mak: „Het was een uitkomst voor zijn patiënten, die vaak wanhopig op zoek waren naar een bij hen ‘passende’ psychoseksuele identiteit.”

Tot laat in de negentiende eeuw was het meestal nog letterlijk een kwestie van kijken. De vroedvrouw keek of een baby vooruit plaste of naar beneden: jongen of meisje

Maar in haar artikel laat Mak zien hoe ‘innerlijke’ genderidentiteit toch altijd verweven blijft met ‘uiterlijke’ factoren: fysieke kenmerken, historische en maatschappelijke conventies. Wat we genderidentiteit noemen, ontstaat in een voortdurende wisselwerking tussen zelfdefinities, lichamelijkheid en samenleving. Er is geen stabiel, tijdloos „authentiek” zelf dat opeens wordt „ontdekt”, schrijft Mak. Eerder gaat het om een complex, ambivalent proces waarin mensen zichzelf vormgeven aan de hand van medische en maatschappelijke labels en tegelijk die labels bijstellen om ze te laten ‘passen’.

Dat is een genuanceerde benadering, die het rigide dualisme van ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ op losse schroeven zet. Tegelijk is het ook een kritische kanttekening bij een idee dat in het huidige activisme en publieke debat over gender inmiddels wijdverbreid is geraakt. Namelijk dat genderidentiteit een vaste ‘essentie’ is diep van binnen, een zuivere kern waartoe alleen het individu zelf toegang zou hebben, los van historische en sociale contexten, en die door de omgeving onvoorwaardelijk moet worden ‘gerespecteerd’.

Testikels

Hoe worden mensen in de praktijk ingedeeld in de categorieën man en vrouw? Mak onderscheidt drie verschillende „logica’s”, onuitgesproken regels, die constant in wisselwerking staan én onderling kunnen botsen. „Er is de logica van het lichaam, waarvan we vaak ten onrechte denken dat die heel simpel is. Ook hoe je een lichaam bekijkt, staat in een historische en culturele context. Tot laat in de negentiende eeuw was het meestal nog letterlijk een kwestie van kijken. De vroedvrouw keek of een baby vooruit plaste of naar beneden: jongen of meisje. Dan kon het gebeuren dat pas later bleek, tijdens de puberteit als de testikels indaalden bijvoorbeeld, dat een meisje toch een jongen was.”

Bovendien viel er vaak niet veel te zien. Mak verwijst naar de cartoon van een Britse arts rond 1800 die onder de rok van een patiënt tast terwijl hij zedig de andere kant opkijkt. „Leken of kwakzalvers wisten tot laat in de negentiende eeuw vaak meer van de intieme delen van lichamen dan een geleerde dokter. Pas daarna kregen artsen via operaties en microscopisch onderzoek kennis over lichamen die leken niet hadden.”

Een arts doet onderzoek bij een vrouw, prent van rond 1800.

Dan komt de tweede logica in zicht, die van de sociale ‘inscriptie’, het maatschappelijk indelen van personen. In taal, geboorteregisters, paspoorten, in het sociale verkeer. Dat gebeurt aan de hand van fysieke kenmerken, maar ook van veel meer: kleding, werk, haardracht, alles waarmee mannen en vrouwen worden gerubriceerd. Ook die praktijk is onderhevig aan historische en culturele veranderingen.

En nu overheerst een derde logica, aldus Mak, die pas in de twintigste eeuw in de medische wetenschap opkomt: gender als zelfgevoel, de hoogst persoonlijke beleving van het ‘passen’ bij een sekse. Mak: „Biologisch kunnen we door de moderne medische wetenschap veel beter vaststellen hoe iemand in elkaar zit. Maar dan komt de vraag op naar de persoonlijke beleving: ‘ja goed, ik heb vrouwelijke chromosomen, maar ik vóel me heel anders’. In het verleden speelde dat nauwelijks een rol. Naar innerlijke beleving werd niet gevraagd.” Het ging soms wel over de mogelijkheid om nog te trouwen als een vergissing in het vaststellen van sekse was ontdekt, of om het vinden van werk. Maar niet om zoiets als een ‘geschaad’ zelf. Mak: „Inmiddels zijn we doorgeslagen naar het andere uiterste. Nu lijkt alleen het zelfgevoel nog te tellen.”

De verabsolutering van die psychologische aanpak vond Mak bij Stoller (1924-1991), de Amerikaanse psychiater. Bij de behandeling van ‘transseksuelen’ concludeerde hij dat genderdysforie, het lijden aan de frictie tussen sekse en beleving, wijst op een persoonlijke, innerlijke gender identity. Mak: „Dan ontstaat het idee dat je sekse kan worden aangepast aan je genderidentiteit.”

Het tweede golf-feminisme van de jaren zestig maakte dankbaar gebruik van het nieuwe onderscheid tussen sekse en gender, maar op een heel andere manier. Niet als een vaste innerlijke identiteit, zoals bij Stoller, maar als een analytisch begrip om sociale verhoudingen en machtsverschillen te onderzoeken. Gender werd de aanduiding voor ‘de sociale betekenis’ van sekse, die juist niet stabiel is maar contextgebonden en veranderlijk. Het begrip werd een handzaam breekijzer om het biologisch determinisme los te wrikken, het idee dat mannelijke en vrouwelijke posities en rolpatronen biologisch bepaald zouden zijn. Hoe mannen en vrouwen zich gedragen – en voelen – is een combinatie van allerlei culturele, sociale en politieke factoren.

Dat sociaal constructivisme is sindsdien (maar dat valt buiten het bestek van Maks artikel) geradicaliseerd door de Amerikaanse filosofe Judith Butler die in haar invloedrijke Gender Trouble (1990) het onderscheid van gender en sekse zélf weer op de helling zette. Ook die binaire tegenstelling tussen een zogenaamd statische natuur (sekse) en een veranderlijke omgeving (gender) is een sociaal construct en het product van een patriarchale samenleving. Bij Butler wordt gender een fluïde performance, een persoonlijke daad die identiteit niet alleen uitdrukt, maar tot stand brengt.

Een echte man of vrouw zijn in Kenia in de jaren vijftig, was iets heel anders dan nu in China. Of in een migrantenwijk in Den Haag.

In de actuele controverses over gender beginnen die uiteenlopende visies te wringen, zegt Mak. „Aan de ene kant zie je heel sterk de neiging om gender op te vatten als een diep-persoonlijke identiteit, een innerlijke essentie die zich vrijuit moet kunnen tonen. Aan de andere kant is er nog steeds het idee van gender als een analytisch begrip dat draait om sociale en historische contexten. Een echte man of vrouw zijn in Kenia in de jaren vijftig, was iets heel anders dan nu in China. Of in een migrantenwijk in Den Haag.”

Dat persoonlijke beleving nu „ons belangrijkste verhaal is geworden over gender” is ook niet zo verwonderlijk, vindt Mak. Niet in een samenleving die toch al doordrenkt is van de wens om ‘jezelf te kunnen zijn’ en die de vrije ontplooiing van het individu ziet als een onvervreemdbaar recht. „We zijn extreem met ons zelf bezig”, zegt Mak, zeker vergeleken met eerdere historische periodes. De historica merkt het aan haar studenten. „Ik leid mijn colleges in met de mededeling: dit gaat over gender, niet over genderidentiteit. Dat is nodig, want zeker onder jongere generaties zie je dat alles begint vanuit de eigen ervaring. Eerst moet het zelf recht gedaan worden, pas dan komt de vraag of de samenleving rechtvaardiger moet worden. Een feministische leus was ooit dat het persoonlijke politiek is, maar nu is het vaak omgekeerd. Iets wordt pas politiek als het mij persoonlijk raakt.”

Nieuwe hokjes

Mak moet niets hebben van de morele paniek die conservatieve groepen aanjagen over ‘genderideologie’, in hun ogen een bewijs van de naderende ondergang van het Avondland. „De angst dat mannen overal ruimtes voor vrouwen gaan binnendringen zoals pashokjes en toiletten is niet reëel”, zegt Mak. ,,Die gevaren worden zwaar overdreven. Het gedoe over wc’s is overgewaaid uit Amerika. Daar kun je door de politie worden opgepakt als je op de verkeerde wc gaat zitten. Hier speelt dat niet. Kijk eens hoe de NS het heeft gedaan, met ‘beste reizigers’. Dat vind ik heel mooi, en niemand stoort zich eraan.”

Ze ziet wel een ander risico, dat van die nieuwe hokjes – zoals ‘non-binair’ of een ‘X’ in het paspoort. „Sekse zou eigenlijk uit het paspoort moeten verdwijnen, vindt zij, „al schijnt dat complicaties te geven met internationaal familierecht.” Maar het lijkt Mak onwenselijk om er dan maar hokjes aan toe te voegen die beter uitdrukken hoe iemand zich voelt. „Dan is een paspoort geen administratieve afspraak meer, maar wordt het een afspiegeling van je innerlijke zelf. Dat vind ik problematisch. Laat de staat alsjeblieft ver weg blijven van mijn diepste gevoelens.”

Het past wel naadloos bij de logica van het om erkenning vragende zelfgevoel. Die is ook de achtergrond van de wetswijziging waar de Tweede Kamer zich begin juni over wil uitspreken, om het burgers mogelijk te maken op grond van overtuiging van gender te veranderen.

Mak wil zich niet mengen in dat licht ontvlambare debat, maar vindt niettemin zelfverklaarde genderidentiteit „analytisch” problematisch. „Omdat het uitgaat van een innerlijk dat kennelijk alleen voor jou toegankelijk is en waar de omgeving zich maar naar moet schikken. Maar het zelf is net zomin transparant als het lichaam. Het gaat ook nooit alleen om jou zelf. De interactie met naasten, anderen en de samenleving speelt altijd mee. Alle drie ‘logica’s’ zijn altijd tegelijk aan het werk.”

Genderidentiteit is een erfenis van de medisch-psychologische wetenschap, die nu een sterk cultureel motief is geworden. Je kunt er ook echo’s in horen van de Europese Romantiek, die geloofde in een creatief genie dat in ieder mens expressie zoekt. Of wie weet zelfs van het christelijke zielsbegrip. Mak: „Terwijl ik denk dat we onszelf weer meer moeten begrijpen vanuit de sociale en culturele verhalen die we elkaar vertellen. Wie jij bent of hoe jij wordt geïdentificeerd, is ook altijd een afspraak met andere mensen.”

Source link

Leave a Reply

Your email address will not be published.