Politics

Zachtheid in het Muziekgebouw, een wonder

Kun je verliefd zijn op een gebouw, op iets wat monsterlijk groot is, te hard en rechthoekig om lief te zijn? Ik vraag het me af terwijl mijn slot zich om een spijl van de balustrade slingert. Dan vol verlangen de loopplank op naar het peilloos hoge gevaarte van glas en staal. De loopplank die je uitnodigt als een brug over het water, een brug die aan het skelet van een dino doet denken, die ‘kom maar binnen’ zegt. De brug met stalen randen loopt omhoog, lekker omhoog, de extra inspanning versterkt het verlangen.

De bezoekers voor mij nemen de loopbrug naar het Muziekgebouw aan ’t IJ net zo veerkrachtig als ik, smachtend bijna, met een versnelde, lichtelijk opgewonden tred. Draaideur door, als vanzelf de aangenaam brede trap naar beneden nemen. Je thuis voelen in een foyer die zo hoog is dat je je verloren zou moeten voelen. Geen galm, overal hout: dat hebben de Deense ontwerpers goed gezien. Laat Bach maar komen.

De openingsklanken van de Matthäus Passion, hoorde ik ze ooit zo mooi?

De openingsklanken van de Matthäus Passion, hoorde ik ze ooit zo mooi? Niets leidt af van de violen en stemmen die mijn gehoorgangen binnenvloeien. Misschien wordt die indruk versterkt door de sobere aankleding, de immense wanden bedekt met latten. Geen barokke tierlantijntjes zoals in het Concertgebouw, geen namen van dode componisten aan de muur. Op het podium alle muzikanten en zangers in het zwart – de focus totaal op wat je hoort. De Grote Zaal is als het ware om de klank heen gebouwd, met verstelbare wanden ter optimalisering van het geluid. Als om dat te benadrukken is het zevenhonderdkoppig publiek in doordeweekse kloffie naar de Piet Heinkade gekomen: we zitten hier niet om gezien te worden, we luisteren.

De lijdensweg van Jezus voltrekt zich in opperste schoonheid. De authentieke instrumenten van het Orkest van de Achttiende Eeuw, de ingetogen liefhebbersblik van de dirigent, de zeven koorkinderen voor aan het podium, hun blikken strak naar de zaal, naar ons gericht: alles zo teer dat het pijn doet.

Tijdens eerdere uitvoeringen van de Matthäus zat ik vaak stiekem te verlangen naar de koralen. Naar het losbarsten van de koren en hun indringende vertolking van zonde en spijt. Nu is alles even mooi en aangrijpend, de eenzaamheid, de verloochening vult mijn oren, niets ontgaat mij.

Maar dan, tegen half tien, word ik toch afgeleid. De eerste viool kondigt Erbarme dich aan. Ineens is het weer april 2020. De smartelijke aria klinkt buiten op straat. Op balkons van flats. Op binnenplaatsen van verzorgingshuizen. Erbarmen verspreidt zich door de stad. Onbekende muzikanten bieden troost aan hen die binnen moeten blijven. De alt en de viool dansen weemoedig om elkaar heen. Zes minuten lang staan de zwakkeren er niet alleen voor.

Zes onvergetelijke minuten in tijden van corona.

Niemand in de zaal beweegt. Roerloos laten we ons naar de dood voeren, naar verlossing. In de grote moderne doos op het IJ wordt alles zacht, het is een wonder.

Auke Kok is schrijver en journalist.


Lees ook deze recensie waarin het concert in het Muziekgebouw beloond wordt met 4 ballen: Overal klinkt Bachs ‘Matthäus’: de ontroering grijpt je waar je het niet verwacht

Source link

Leave a Reply

Your email address will not be published.